Stappenplan
Het leren vliegen bij de BMVC verloopt volgens een bepaalde methodiek. De hier genoemde methodiek biedt een solide basis voor je verdere modelvlieg loopbaan.
Leer jezelf aan om minimaal drie vluchten per dag te maken. Deze vluchten hoeven niet lang te zijn, maar probeer de tijd die je vliegt goed te besteden door geconcentreerd en bewust te vliegen. Laat je model niet een beetje doelloos rondvliegen. Probeer de opdrachten die je van de instructeur krijgt zo goed mogelijk op te volgen. In het begin is dit erg moeilijk, maar je zult merken dat na verloop van tijd bepaalde delen je steeds makkelijker afgaan. Het idee is dat je iedere vliegdag de oefeningen die je vorige keer gedaan hebt herhaald en tevens weer een nieuwe opdracht krijgt om te oefenen
De volgende stappen zullen worden doorlopen:
De instructeur zal je model laten opstijgen (en later ook weer landen).
Als leerling krijg je de zender in je handen en mag je een beetje rond spelen. Het belangrijkste is dat je probeert het model bij je in de buurt te houden, en niet te veel te laten stijgen of dalen. Hier zal je je handen al aan vol hebben. Probeer de bochten zowel linksom als rechtsom te vliegen. Probeer de bochten vooral ruim te vliegen, dit geeft je meer tijd om te corrigeren.
Je zult ook merken dat het op-je-af-vliegen voor hele vreemde reacties kan zorgen. Van dit fenomeen heeft iedere beginner last en de enige manier om dit te leren is door veel te oefenen, na verloop van tijd gaat dit vanzelf. (echt waar!)
Als het je lukt om het model in de lucht te houden, zal je van de instructeur opdrachten krijgen om strakke rechte lijnen te vliegen. Bijvoorbeeld parallel aan een sloot of haaks op de weg. Je zult merken dat echt rechtuit vliegen niet zo heel gemakkelijk is, de meest gemaakte fout is dat er te veel gecorrigeerd wordt. Laat het model gewoon vliegen en controleer met kleine correcties de koers.
Bij het vliegen van bochten is het van belang dat je het richtingsroer gebruikt om de vleugel een bepaalde helling te geven. Als de vleugel en helling van 30 graden heeft, laat je rustig het richtingroer los. Afhankelijk van het model moet er bij het loslaten van het richtingroer een klein beetje UP gegeven worden om het model op hoogte te houden. Om de bocht te eindigen gebruik je het richtingroer om de vleugel weer horizontaal te leggen en verminder je gelijktijdig de UP.
Er is een relatie tussen de helling van de vleugel, de hoeveelheid UP en de tijd die het model nodig heeft om weer uit de bocht te komen :
- veel helling = veel up = veel tijd /richtingroer-uitslag nodig om uit de bocht te komen.
- weinig helling = weinig (soms geen) UP = snel weer uit de bocht te sturen.
Tevens heeft de helling van de vleugel invloed op de radius van de bocht:
- veel helling = kleine radius
- weinig helling = grote radius
Er komt dus heel wat kijken bij het vliegen van een ‘simpele’ bocht.
Oefen bochten van verschillende radius en met hoeken van 45,90 en 180 graden, en als het lukt ook nog eens op een constante hoogte.
3.Klimmende en dalende bochten
Tijdens het vliegen zal je model ook moeten klimmen en dalen. Je zult merken dat een dalende bocht met veel helling makkelijker gaat, dan een dalende bocht met weinig helling. Omgekeerd zal een klimmende bocht makkelijker gaan met weinig helling, dan met veel helling. En dan hebben we de invloed van het motorvermogen nog niet eens mee laten tellen.
Probeer alvast aan te leren:
- klimmen (ongeacht of dit tijdens een bocht of recht uit is ) = Meer gas geven.
- Dalen (ongeacht of dit tijdens een bocht of recht uit is ) = Gas minderen.
Dit werken met het gas heb je later ook weer nodig tijdens de overshoots, dus wen er maar vast aan.
Het cirquit is de basis van je verdere oefeningen. Je zult dit cirquit vliegen tot je er helemaal gestoord van raakt, maar het blijft ook na jaren vliegen de belangrijkste basis van alles wat je op een vliegveld doet.
Het cirquit bestaat uit een ovaal, denk maar aan een schaatsbaan, twee rechte lijnen, met twee 180 graden bochten. Eén van de twee rechte lijnen vlieg je tegen de wind in, de andere vlieg je dan automatisch met de wind mee. Nu is het de bedoeling dat het deel wat tegen de wind in gevlogen wordt , boven de start/landings baan ligt. Na het passeren van jezelf, draai je 180 graden weg, en wel van je af.
Dus kom je van links tegen de wind in aanvliegen, dan draai je een 180 graden bocht linksom. Na 180 graden vlieg je een recht stuk met de wind mee en parallel aan het eerdere rechte stuk. Vervolgens draai je weer 180 graden om aansluiting te vinden bij het ‘wind-mee’ rechte stuk.
En dat is het dan, hét cirquit.
Leer het cirquit twee kanten op te vliegen, dus zowel rechtsom als linksom, wel uitkijken met de andere vliegers.
Met de voorgaande oefeningen zul je jezelf verzekerd voelen van het feit dat je het model gecontroleerd in de lucht kan houden. Waarschijnlijk ben je ook gedurende de oefeningen iets lager gaan vliegen, zodat je goed kan zien wat je doet.
Nu wordt het tijd om heel goed op de hoogte te letten, je moet in staat zijn om het circuit met een constante hoogte te vliegen. Dit is nodig omdat je straks na het starten en voor het landen op geringe hoogte vliegt. Je wilt tijdens deze fases van de vlucht de hoogte goed kunnen controleren om onzachte aanraking met de grond te voorkomen.
Begin op ongeveer 25 meter hoogte en vlieg je cirquit, als dit echt lekker en comfortabel gaat, zak dan tot een meter of 15. Als je dan nog steeds je zenuwen in bedwang hebt, ben je klaar voor de volgende oefening.
Het maken van overshoots is de perfecte methode om die fases van de vlucht die pal vóór de landing en pal ná de start plaatsvinden te oefenen.
Vlieg je cirquit op je normale hoogte. Als je op je ‘rug-wind’ rechte deel vliegt en vlak voordat je de bocht inzet , trek je het gas rustig dicht, het model zal nu vanzelf zaken. Maak gewoon netjes een dalende 180 graden bocht en probeer de radius van de bocht zo te vliegen dat je netjes in lijn met de landingsbaan uitkomt. Na het draaien van de bocht vlieg je gewoon rechtuit, zoals je al 1000x gedaan hebt bij het oefenen van je cirquit.
Als je te laag komt, geef je rustig iets gas bij. Het is nu de bedoeling dat je op een meter of 5 hoogte, over het midden van de start/landinsgbaan uitkomt. Zak dus niet lager als die 5 meter. Geef rustig gas bij om de hoogte vast te houden. Als je bij het einde van de baan bent, geef je volgas en begint rechtuit te klimmen, pas als je voldoende hoogte hebt, leg je het model vlak, verminderd het gas en maak je een 180 graden bocht, terug naar het rug-wind’ deel. Nu ben je klaar voor de volgende overshoot.
Probeer de eerste bocht na het klimmen (van wind tegen naar wind mee) en het wind-mee deel van het cirquit op één hoogte te vliegen. Na verloop van tijd moet je in staat zijn om het model met geringe snelheid , in één rechte lijn precies over het midden van de baan te vliegen.
Wat het starten betreft. Je eerste start is altijd reuze eng. Dat heb ik nu nog steeds als ik een tijd niet gevlogen heb of als ik een nieuw model moet invliegen. Ik denk dat iedereen dat wel heeft.
Zet je model op de startbaan met zijn neus in de wind. Op het moment dat de baan vrij is geef je geleidelijk gas en daar gaat je model. Nu is de hele kunst van een mooie start om je model recht te houden. Dus op het moment dat je kist begint te rijden zorg je dat het model rechtdoor gaat. Zo niet, dan corrigeren. Als je model daardoor als een gek over de baan begint te slingeren of de bocht omgaat, neem dan meteen gas terug en probeer na het controleren van je neus of staartwiel de start opnieuw. Gaat echter je model mooi rechtdoor, geef dan voorzichtig een beetje up. Let op, op het moment dat het model los komt moet je meteen een beetje minder up geven. Dit om te voorkomen dat je kist op zijn staart gaat staan en overtrekt. Bij een geslaagde start vlieg je rechtdoor tot je genoeg hoogte hebt om een bocht te draaien. De rest van de vlucht heb je al eerder gedaan, dus dat mag geen problemen opleveren.
Wat het landen betreft. Je hebt je landings-aanvluchten al geoefend door het maken van je overshoots. Het verschil is nu dat je moet proberen om het punt waarop je model op 1.5 meter hoogte vliegt een stukje te verplaatsen. En wel naar een meter of 10 voor het begin van de startbaan. Oefen dit eerst maar een paar keer. Zorg dat je mooi rechtuit op de baan komt aanvliegen. Stuur niet echt met down de kist naar beneden, maar laat het model rustig doorzakken. Als dit niet lukt, vlieg je te snel en zal je het gas verder terug moeten nemen. Ziet de aanvlucht er goed uit, beslis dan of je wilt landen. Wil je dit, raak dan niet in paniek en ga gewoon door met verder zakken. Om de snelheid nog verder te laten zakken, kan je de trim van je motor nog even dichttrekken zodat je motor heel langzaam loopt of afslaat. In dat laatste geval moet je wel doorgaan. Probeer onder het zakken de glij hoek constant te houden en hou de vleugels van je model vooral horizontaal. Op het moment dat je kist bijna de grond raakt geef je heel voorzichtig een beetje up zodat de neus van het model omhoog komt en de snelheid nog verder terugloopt. Door het grondeffect zal de kist nu keurig afgevangen worden. De hoeveelheid up die je vlak voor het raken van de grond moet geven is voor ieder model verschillend, maar na een paar landingen moet je dat redelijk goed kunnen inschatten.
En wat verder
Tot zover dit gedeelte over het leren vliegen. Ik ben me ervan bewust dat hier lang niet alles instaat wat je moet weten om goed te leren vliegen, maar na dit gelezen te hebben is ook niet alles meer helemaal nieuw.
Vergeet niet dat er de eerste tijd waarschijnlijk wel iemand naast je zal staan die je heel veel kan vertellen over wat je fout doet en hoe je dat kan verhelpen. Als iets je niet duidelijk is, stel dan vragen. Accepteer kritiek op wat je doet ook al is het niet altijd even leuk, het is wel goed bedoeld. En boven alles, je leraar is ook maar een mens!!!